Glucose meten met een sensor

Voor veel mensen met diabetes was het jarenlang de normaalste zaak van de wereld: meerdere keren per dag een vingerprik om de bloedsuiker te meten. Soms wel 10 tot 15 keer per dag. Gelukkig heeft de technologie de afgelopen jaren grote stappen gezet. Met moderne glucosesensoren is het mogelijk om glucosewaarden vrijwel continu te volgen, vaak zonder nog te hoeven vingerprikken. In de praktijk zijn het vooral mensen met diabetes type 1 die gebruik maken van een sensor. Voor deze groep wordt de sensor vergoed.

Een glucosesensor wordt op de huid gedragen en meet de glucosewaarden dag en nacht. Hierdoor ontstaat niet alleen meer gemak, maar ook beter inzicht in schommelingen van de glucosewaarden. Tegenwoordig gebeurt dit vooral via FGM of CGM. We leggen uit wat het verschil is.

FGM (Flash Glucose Monitoring)

FGM staat voor Flash Glucose Monitoring. Bij deze methode meet een sensor continu de glucosewaarden in het interstitiële vocht: het vocht tussen de lichaamscellen. Dit is dus iets anders dan een klassieke bloedsuikermeting via een vingerprik, waarbij direct bloed wordt gemeten. Daarom zit er meestal een kleine vertraging van ongeveer 5 tot 10 minuten tussen de actuele bloedglucose en de sensorwaarde.

De sensor wordt meestal op de achterkant van de bovenarm gedragen. Bij sommige systemen kan ook een andere plek op het lichaam worden gebruikt. Om de glucosewaarden te bekijken scant u de sensor met een smartphone of reader. Tegenwoordig gebruiken veel mensen hiervoor simpelweg een app op hun telefoon. Een aparte scanner is dus vaak niet meer nodig.

Na het scannen ziet u niet alleen de actuele glucosewaarde, maar ook een trendpijl en de glucosegeschiedenis van de afgelopen uren. Zo krijgt u veel meer inzicht in hoe voeding, beweging, stress of medicatie invloed hebben op de glucosewaarden.

CGM (Continuous Glucose Monitoring)

CGM staat voor Continuous Glucose Monitoring. Ook hierbij meet een sensor continu de glucosewaarden in het interstitiële vocht. Het grote verschil met FGM is dat CGM-systemen de gegevens automatisch doorsturen naar een smartphone, smartwatch of insulinepomp. Scannen is dus niet nodig.

CGM-systemen kunnen bovendien waarschuwingen geven bij te hoge of te lage glucosewaarden. Dat is vooral belangrijk voor mensen die hypo’s moeilijk voelen aankomen of sterk schommelende glucosewaarden hebben. Sommige systemen werken zelfs samen met een insulinepomp, waardoor de insulinetoediening automatisch kan worden aangepast.

Vroeger moesten veel CGM-systemen regelmatig worden gekalibreerd met een vingerprik. Bij moderne CGM-systemen is dat vaak niet meer nodig, al kan een extra controlemeting soms wel verstandig zijn bij twijfel over de meetwaarde.

Worden FGM en CGM vergoed?

Glucosesensoren worden in Nederland onder bepaalde voorwaarden vergoed vanuit de basisverzekering. Welke vergoeding geldt, hangt onder andere af van het type diabetes, de behandeling en de medische situatie.

FGM wordt vaak gebruikt door mensen die intensieve insulinetherapie volgen en regelmatig glucose moeten meten. CGM wordt vooral ingezet bij mensen met diabetes type 1 die bijvoorbeeld veel hypo’s hebben, sterk schommelende glucosewaarden ervaren of zwanger zijn.

De exacte voorwaarden verschillen per zorgverzekeraar en veranderen regelmatig. Overleg daarom altijd met uw behandelaar of diabetesverpleegkundige welke sensor het beste bij uw situatie past en of vergoeding mogelijk is.

Hoe werkt een sensor zoals de FreeStyle Libre?

Een veelgebruikte glucosesensor is de FreeStyle Libre. Dit systeem werkt met een kleine sensor die op de huid wordt geplaatst en gedurende de dag glucosewaarden meet.

De sensor wordt aangebracht met een applicator en blijft meestal 14 dagen zitten. Daarna moet deze worden vervangen. Via de app of reader ziet u onder andere:

  • de actuele glucosewaarde
  • een trendpijl
  • de glucosegeschiedenis van de afgelopen uren

De trendpijl laat zien of de glucose stijgt, daalt of stabiel blijft. Dat helpt om beter vooruit te kijken en sneller te reageren op veranderingen.

Sensor aanbrengen

Het aanbrengen van een glucosesensor is eenvoudig:

  1. Was de handen goed.
  2. Reinig de huid met het meegeleverde doekje.
  3. Laat de huid goed drogen.
  4. Plaats de sensor met de applicator op de huid.
  5. Activeer de sensor via de app of reader.

De meeste sensoren worden op de achterkant van de bovenarm gedragen. Het is belangrijk dat de huid schoon, droog en vetvrij is voor een goede hechting.

Waarom soms een afwijkende waarde?

Omdat een glucosesensor meet in interstitiële vloeistof en niet direct in het bloed, kan er soms verschil ontstaan met een vingerprikmeting. Vooral bij snelle stijgingen of dalingen van de glucosewaarden kan de sensor iets achterlopen.

Ook kunnen factoren zoals deze invloed hebben op de meting:

  • loslaten of verschuiven van de sensor
  • langdurig contact met water
  • grote temperatuurschommelingen
  • druk op de sensor tijdens slapen
  • snelle glucoseveranderingen na eten of sporten

Bij klachten, twijfel over de meetwaarde of symptomen die niet passen bij de sensorwaarde blijft een controlemeting met een glucosemeter verstandig.

Sensor beter laten zitten

Sommige mensen merken dat een sensor sneller loslaat, bijvoorbeeld tijdens sporten, zwemmen of warm weer. Hiervoor bestaan speciale sensor patches of fixatiepleisters. Deze helpen om de sensor beter op zijn plaats te houden en verkleinen de kans dat deze voortijdig loslaat.