Hoe een insulinespuit te gebruiken?
Een insulinespuit wordt gebruikt om insuline vanuit een flacon (ampul) op te trekken en vervolgens onder de huid te injecteren. Hoewel veel mensen tegenwoordig een insulinepen gebruiken, zijn insulinespuiten nog altijd een betrouwbare en nauwkeurige manier om insuline toe te dienen. In dit artikel leggen we stap voor stap uit hoe u een insulinespuit gebruikt.
Wat is een insulinespuit?
Een insulinespuit is een wegwerpspuit met een vaste, dunne naald. De spuit is voorzien van een schaalverdeling waarmee u precies kunt aflezen hoeveel insuline u optrekt. Insulinespuiten zijn verkrijgbaar in verschillende maten en uitvoeringen. Het is belangrijk dat de spuit past bij de insuline die u gebruikt. Vrijwel alle insuline die voor mensen wordt gebruikt is tegenwoordig U-100. U-40-insuline wordt voornamelijk toegepast in de diergeneeskunde, bijvoorbeeld bij honden en katten met diabetes.

Voorbereiding
Voordat er begonnen kan worden:
- Was de handen met water en zeep
- Controleer de houdbaarheidsdatum van de insuline
- Controleer of de insuline er normaal uitziet
- Zorg dat er voldoende licht is om de schaalverdeling goed af te lezen
Troebele insuline? Rol de flacon dan voorzichtig enkele keren tussen de handen. Schud niet hard, omdat hierdoor luchtbellen kunnen ontstaan.
Trek lucht op in de spuit
Trek de zuiger terug tot het aantal eenheden dat geïnjecteerd gaat worden. De spuit bevat nu dezelfde hoeveelheid lucht als de hoeveelheid insuline die opgetrokken gaat worden.
Breng de lucht in de flacon
Verwijder het beschermkapje van de naald. Steek de naald door de rubberen dop van de insulineflacon en druk de lucht in de flacon. Hierdoor ontstaat minder onderdruk en kan de insuline gemakkelijker opgetrokken worden.
Trek de insuline op
Draai de flacon met de spuit ondersteboven. Zorg dat de punt van de naald volledig in de vloeistof blijft en trek langzaam de gewenste hoeveelheid insuline op. Controleer op luchtbellen. Tik eventueel voorzichtig tegen de spuit zodat luchtbellen naar boven stijgen en druk deze terug in de flacon. Controleer daarna opnieuw of de juiste dosering in de spuit zit.
Kies een injectieplaats
Insuline wordt meestal geïnjecteerd in:
- De buik
- Het bovenbeen
- De bil
- De bovenarm
De buik wordt vaak gekozen omdat insuline hier meestal het meest voorspelbaar wordt opgenomen.
Dien de injectie toe
Maak eventueel een huidplooi tussen duim en wijsvinger. Steek de naald in de huid volgens het advies van uw arts of diabetesverpleegkundige. Druk de zuiger langzaam volledig in totdat alle insuline is toegediend. Wacht enkele seconden voordat de naald uit de huid wordt gehaald. Dit voorkomt teruglekken.
Gooi de spuit veilig weg
Een insulinespuit is bedoeld voor eenmalig gebruik. Plaats de gebruikte spuit direct in een naaldencontainer. Gooi gebruikte naalden of spuiten nooit los in de afvalbak.
