Voor mensen met diabetes type 2 – maar ook met prediabetes – is het prikken van de vinger met een lancet onderdeel van het leven. Toch lukt het niet altijd om een voldoende grote druppel bloed te krijgen met een prikpen. Dat kan frustrerend zijn, zeker als u meerdere keren moet prikken of een meting moet herhalen. Gelukkig is dit probleem in veel gevallen eenvoudig op te lossen. In dit artikel bespreken we 8 praktische tips om beter en comfortabeler te prikken.
1. Zorg voor warme handen
Een goede doorbloeding is essentieel om een bloeddruppel te krijgen. Koude handen zorgen ervoor dat bloedvaten samentrekken, waardoor prikken lastiger wordt. Was uw handen met warm water, hou ze om een warme beker heen, wrijf ze even tegen elkaar of laat uw hand kort naar beneden hangen. Hierdoor stroomt er meer bloed naar de vingertoppen.
2. Gebruik altijd een nieuw lancet
Lancetten worden snel bot. Een bot lancet dringt minder goed door de huid en veroorzaakt juist meer pijn, terwijl het tegelijk minder bloed oplevert. Gebruik daarom bij elke meting een nieuw lancet. Dit is hygiënischer, minder pijnlijk en vergroot de kans op een goede bloeddruppel.
3. Stel de prikdiepte goed in
Veel prikpennen staan standaard op een lage diepte ingesteld. Bij een dikkere huid of eelt is dat vaak onvoldoende. Verhoog de prikdiepte stap voor stap tot u merkt dat er voldoende bloed vrijkomt. Wat de juiste stand is, verschilt per persoon en zelfs per vinger.
4. Prik op de juiste plek
De locatie van de prik maakt veel verschil. Prikken in het midden van de vingertop is gevoeliger en geeft vaak minder bloed. De beste plek is aan de zijkant van de vingertop, waar meer haarvaten zitten en de huid minder gevoelig is.
5. Knijp niet, maar masseer
Hard knijpen in de vinger kan het bloed vermengen met weefselvocht, wat de meting kan beïnvloeden. Masseer liever zachtjes vanuit de handpalm richting de vingertop totdat er een mooie, ronde bloeddruppel ontstaat.
6. Controleer of de prikpen goed werkt
Soms ligt het probleem niet aan uw techniek, maar aan de prikpen zelf. Controleer of:
- het lancet goed geplaatst is
- het mechanisme soepel werkt
- de prikpen niet versleten of beschadigd is
Een oude of defecte prikpen kan onvoldoende kracht leveren. In dat geval kan vervanging echt verschil maken.
7. Kies het juiste type lancet
Lancetten zijn er in verschillende diktes, aangeduid met “G”. Een hogere G betekent een dunner lancet. Voor gevoelige vingers zijn 30G tot 33G lancetten vaak prettiger. Bij een dikkere huid kan een iets dikker lancet juist effectiever zijn. Het juiste type lancet voorkomt herhaald prikken. Sommige mensen vinden een veiligheidslancet prettig werken. Deze lancetten werken zonder prikpen en kunnen eenmalig gebruikt worden. De naald trekt terug en daarmee is het gebruikte veiligheidslancet veilig weg te gooien. Veiligheidslancetten worden met name aangeraden bij een eeltlaag op de vingers of bij een dikkere huid.
8. Wissel regelmatig van vinger
Steeds dezelfde vinger gebruiken leidt tot eeltvorming, waardoor prikken moeilijker wordt. Wissel daarom regelmatig van vinger en prik niet telkens op exact dezelfde plek. Dit houdt de huid soepel en vermindert pijn.
Blijft het ondanks deze tips moeilijk om bloed te krijgen, dan kan er sprake zijn van een verminderde doorbloeding, veel eeltvorming of ongeschikt prikmateriaal. In dat geval is het verstandig om met huisarts of verpleegkundige te overleggen.
